In deze streek wonen een groot aantal Chinese etnische minderheden. Ze houden nog veel tradities in ere en proberen zo hun oude manier van leven in stand te houden.
De MiaoEr leven zo’n 7 miljoen Miao’s verspreid over Zuidwest China. Het is daarmee de grootste etnische minderheid in dit land. Oorspronkelijk woonden de Miao in het meer oostelijk gelegen Guizhou. In 2000 jaar tijd hebben ze zich in diverse richtingen verspreid. Daardoor zijn er nogal verschillen ontstaan in hun taal, kleding en gewoonten.
Hun kleding is ronduit prachtig. De vrouwen dragen kleurrijke kleding met een velerlei aan geborduurde dessins. Je kunt zien dat de dames goed zijn in weven, borduren en batik.
Maar ook houden ze zich graag bezig met zang en dans. Op het jaarlijkse Huashan Festival zingen en dansen de jonge Miao’s op de tonen van de drums en hun favoriete muziekinstrument de ‘lusheng’, een rieten fluit. Eén van de populairste dansen die ze uitvoeren is de stokkendans, een volksdans, waarbij je over, op de muziek ritmisch bewegende bamboestokken moet springen.
De DongDe Dong wonen in kleine dorpen op de berghellingen, vaak bij een stroom. De huizen zijn meestal gemaakt van bamboe of hout, hebben twee of drie verdiepingen en zijn bedekt met dakpannen. In de dorpen wordt in de oogsttijd de rijst op hoge stellages gedroogd, wat een prachtig gezicht oplevert.
Elk dorp heeft een trommeltoren, variërend van vijf tot elf verdiepingen. De begane grond lijkt een paviljoen en wordt gebruikt voor dorpsvergaderingen.
Hier staat ook de trommel, bekleed met rundleer. De trommel wordt geslagen om de dorpsoudsten bijeen te roepen. Vaak zijn de torens rijk versierd met houtsnijwerk. De torens staan meestal vlakbij de dorpsput.
De Dong zijn beroemd om hun zeer speciale constructies, naast de trommeltorens zijn dat grote waterwielen en de wind- en regenbruggen. De bruggen zijn overdekt en bevat paviljoenen, rustbanken en gebedsplaatsen. De grotere bruggen, zoals die van Chengyang, zijn me er dan 80 meter lang.
De YaoDe Yao vormen een bevolkingsgroep ruim 2 miljoen. Ze leven verspreid over zes provincies. Het is nog een vrij primitief levend volk, dat leeft van de landbouw, het jagen en het vissen.
Vroeger woonde dit volk in het bekken van de Changjiang. Ten tijde van de dynastieën van Qin en Han, voor en na onze tijdrekening dus, maakten de Yao deel uit van de Changsha Wulingman, die ook Wuximan werden genoemd. Deze groep verhuisde naar meer zuidelijk gelegen streken.
De Yao is een bergvolk dat huist in door bamboe ommuurde dorpen. Ze leven op hoogten van 1000 tot 2000 meter in het subtropisch gebergte. Chinezen beweren ironisch dat er op elke bergpiek ten minste één Yao woont. Er zijn nog meer dan twintig verschillende Yao-stammen.
De vrouwen van de Yao vallen op door hun prachtige, kleurijke kleding en hebben heel lang zwart haar dat op een heel ingenieuze manier wordt opgemaakt. Sommige dames hebben nog een lange extra streng (eigen) haar en dat werd mee opgemaakt. Nadat de vrouwen getrouwd zijn wordt hun haar niet meer afgeknipt.
Het Zhuang-volk De Zhuang is een zogenaamd 'minderheidsvolk' (shaoshu minzu) in China. Er zijn naar schatting 18 miljoen Zhuang, waarmee ze het grootste minderheidsvolk (van de 55) in China zijn.In de provincie Guangxi wonen er veel, vandaar dat deze provincie een autonome provincie voor de Zhuang is geworden.
Eeuwenlang hebben de Zhuang getracht onder de overheersing van de Han Chinezen uit te komen. In 1851 namen duizenden Zhuang boeren deel aan de Taiping revolutie. Eerder, in de 16e eeuw, vormden de Zhuang een imposant leger dat invallen van Japanse piraten langs de kust van Guangxi afsloeg.
Vandaag de dag zijn de Zhuang echter nauwelijks meer te onderscheiden van de rest van de Chinese bevolking. Veel Zhuang kunnen de Zhuang taal, die aan het Thais verwant is, niet meer spreken. De Zhuang-taal heeft meer dan 50 dialecten, maar geen algemeen gebruikte schrijftaal. Aangezien bijna al het onderwijs op de scholen in het Chinees plaatsvindt, is de integratie van de Zhuang minderheid misschien alleen nog maar een kwestie van tijd. Nog maar weinig Zhuang mensen dragen hun eigen traditionele kleding, al bewaren de plattelandsbewoners hun inheemse kostuums nog wel voor speciale festiviteiten. De boeren verbouwen rijst, maïs, aardappelen, gecko en pseudo-ginseng.